Otto Rühle: Toespraak in de Rijksdag (25 oktober 1918)


Namens de sociaal-democratische arbeiders en soldaten die zich niet hebben aangesloten bij de partij van de afhankelijke regeringssocialisten1 of de partij van de onafhankelijke sociaal-democraten2, maar waarvan het aantal in de duizenden loopt, die verklaren dat ze vanaf deze plaats en in deze politiek en historisch belangrijke situatie willen worden gehoord, zal ik heel kort ons standpunt uiteenzetten over de kwesties die de afgelopen dagen aan de orde zijn geweest.

We verwerpen elke vorm van vrede die de burgerlijke kapitalistische regeringen bereid zijn met elkaar overeen te komen en die op het punt staan te sluiten over de rug van de bloedende naties. In het tijdperk van het imperialisme en tussen de imperialistische staten is een vredesovereenkomst, die het welzijn en de belangen van de arbeidersklasse zou kinnen dienen, een onmogelijke zaak. Deze overeenkomst zal alleen worden gesloten ten koste van het proletariaat. Want de politieke, economische, historische tegenstelling tussen kapitaal en arbeid, tussen de bourgeoisie en het proletariaat, is niet opgeheven; ze bestaat nog steeds, ze is zelfs door deze oorlog verbreed en verdiept. Als het waar is dat de hoofdvijand, de doodsvijand van de proletarische klasse zich in eigen land bevindt, dan is het onmogelijk dat het proletariaat zijn toestemming zal geven wanneer deze doodsvijanden over de hele wereld op kosten van het proletariaat en in strijd met de vitale belangen van het proletariaat met elkaar overleggen en zich aaneensluiten. De beoogde vredesregeling kan alleen maar een middel zijn om de tot nu toe toegepaste methoden van uitbuiting en slavernij van de volkeren, met alles wat daarmee samenhangt in staatsrechtelijk, juridisch, wetgevend, economisch opzicht, te redden van de dreiging van vernietiging en ineenstorting. Voor de arbeidersklasse is er geen vredesovereenkomst op basis van het kapitalisme. Ze eist een vrede van de macht in de zin dat haar doodsvijand, deze bourgeoisie, overweldigd wordt, de burgerlijke kapitalistische regering omvergeworpen wordt, het militarisme verpletterd wordt en het revolutionaire proletariaat de socialistische vrede dicteert aan de burgerlijke maatschappij nadat deze verslagen en overwonnen is.

We wijzen verder de zogenaamde democratie en het parlementarisme af, die de burgerlijke kapitalistische regering het Duitse volk cadeau heeft gedaan uitgerekend op het moment dat het militarisme, tot nu toe het sterkste bolwerk van het reactionaire klassenregime, ontegenzeggelijk en onverbiddelijk is ingestort en het opperbevel van het leger zelf ervan overtuigd is geraakt dat de oorlog hopeloos verloren is. Deze zogenaamde democratie bij de gratie van Hindenburg is niet meer dan een schijnvertoning bedoeld voor bedrog en misleiding. Deze schijnhervormingen en kleine hervormingen op papier moeten de wanhopige poging verbergen om de essentie en de kern van dit kapitalistische systeem veilig te stellen voor het dreigende strafgerecht door de massa's. Dat sociaal-democraten zich op het laatste moment hebben overgegeven aan de rol van noodhulp en schild voor de ineenstortende burgerlijke maatschappij wordt door de massa's buiten gezien als een beschamend verraad ("Dat klopt!" door de Onafhankelijke Sociaal-democraten), net zoals ze zich voor de gek gehouden en geminacht voelen door de schijndemocratie, devolksheerschappij die hen wordt voorgespiegeld. Voor hun bevrijding hebben ze iets heel anders nodig, namelijk de democratie van het socialisme, de republiek op basis van de socialistische revolutie, en daarvoor eisen ze in de eerste plaats de afzetting van de keizer als de veroorzaker van deze wereldoorlog. (Grote onrust. Bel van de voorzitter).

Voorzitter: "Mijnheer Rühle, u hebt opgeroepen tot aftreden van de Duitse keizer op gronden die in het diepst onwaar zijn en die in strijd zijn met elke vorm van eerbied voor de keizer. Ik roep u daarom tot de orde!"

(„Bravo!“) De oproep tot orde zal hem niet redden voor het strafgerecht. — (Grote onrust. — Bel van de voorzitter)

Voorzitter: "Mijnheer Rühle, ik wil geen commentaar op mijn instructies als voorzitter. Ik roep u nogmaals tot de orde vanwege deze opmerking!”

("Bravo!") We blijven de zogenaamde Bond van Staten en Naties verwerpen, waarin de burgerlijke kapitalistische regeringen, opnieuw met de hulp van de sociaal-democraten, na de oorlog samen willen komen. Deze Staten- en Volkenbond, of hoe ze hem ook mogen noemen, kan niet meer zijn dan een coalitie van arbeiders- en vrijheidsvijandelijke mogendheden, een Heilig Bondgenootschap om de opkomende sociale revolutie te verpletteren en te wurgen. We zien nu al hoe de grote kapitaalmachten zich in ontroerende harmonie verenigen tot het snode werk van het wurgen van de Russische Volksrepubliek, die onze onbeperkte sympathieën geniet. De arbeidersklasse verwacht haar bevrijding en redding niet van de Volkenbond zoals Wilson3 het wil of zoals anderen het hebben voorgesteld, en in zoverre dit überhaupt haalbaar is op basis van de kapitalistische sociale orde; zij streeft naar de verbroedering van alle volkeren tot een duurzame alliantie van vrede en cultuur onder het teken van het zegevierende socialisme. ("Zeer waar!" door de Onafhankelijke Sociaal-Democraten)

Ik roep de arbeidersklasse, vooral de Duitse arbeidersklasse, op om met het wapen van de revolutie dit socialisme te bereiken. De tijd voor actie is gekomen! (Grote onrust. - Bel van de voorzitter).

Bron: Otto Rühle, Rede im Reichstag (25. Oktober 1918).

1 S.P.D. De Duitse sociaaldemocratische partij steunde in 1914 de oorlogskredieten, op twee leden na, Karl Liebknecht en Otto Rühle. De SPD werkte vanaf 1917 met de links-liberalen en katholieken samen. In 1917 scheidde een radicale vleugel zich af van de SPD, de Unabhängige Sozialdemokratische Partei Deutschlands (USPD). In 1918 trad de SPD toe tot de regering.

2 U.S.P.D. De Onafhankelijke Sociaaldemocratische Partij van Duitsland werd in 1917 gevormd nadat in 1916 enkele linkse leden van de SPD-fractie in de Duitse Rijksdag zich om ideologische, pacifistische, redenen van de fractie hadden afgescheiden. De USPD nam een centristische positie in tussen de SPD en de latere communisten (zoals Rühle).

3 Woodroy Wilson, president van de Verenigde Staten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Onder zijn leiding namen de VS in 1916 deel aan de oorlog. Bij het einde van de oorlog presenteerde Wilson het 14 Punten Programma, waarin hij onder andere de Volkerenbond naar voren bracht.