Otto Rühle: Van de burgerlijke naar de proletarische revolutie (1924)


- voorwoord en slothoofdstuk -


Voorwoord


Dit is de gedachtegang van het boek:

In een korte historische schets worden de karakteristieke kenmerken van de burgerlijke revoluties van Europa getoond, die voortvloeien uit de historische taak van deze revoluties: het openen van de poorten naar het kapitalisme als nieuwe sociale macht.

Omdat de Russische revolutie een tijd lang de ambitie had om een sociale en proletarische revolutie te ontketenen, terwijl ze in feite alleen maar een laattijdige en mislukte burgerlijke revolutie was, wordt een speciaal hoofdstuk gewijd aan het onderzoek naar haar karakter.

Vervolgens wordt de opbouw van de burgerlijke staat beschreven als een levendig beeld van de principes en basisvormen van kapitalistisch economisch beheer en organisatie. We leren de autoritaire, centralistische, nationale staat kennen en begrijpen waarom die zo moet zijn als hij is.

In deze context krijgen we inzicht in het parlementarisme dat typisch burgerlijke zaken doen omzet in de wetgeving en de partijen ontwikkelt als de hulporganen van de burgerlijke politiek die alleen in verband daarmee bestaan en functioneren.

Vergelijkbaar met de partijen, maar zonder hun pseudo-revolutionaire masker, zijn vakbonden puur opportunistische organen die het proletariaat via een fatale belangengemeenschap aan het kapitaal ketenen in plaats van het ervan te bevrijden. Als pre-revolutionaire instrumenten van de burgerlijke politiek zijn de partij en de vakbonden, onder invloed van een kleinburgerlijke professionele leiding, niet revolutionair, maar contrarevolutionair. De eis om de vakbonden te revolutioneren blijkt demagogische onzin te zijn.

Het verloop van de Duitse revolutie sinds 1918 was een leerschool voor het proletariaat die tot het inzicht leidde dat de partij en de vakbonden vandaag de dag de sterkste hindernissen zijn voor de proletarische revolutie.

Het proletariaat moet leren de zaak van zijn bevrijding in eigen hand te nemen. Het begint te begrijpen dat de proletarische revolutie in de eerste plaats een economisch verschijnsel is en dat de voorbereiding en de afronding ervan vanaf de arbeidsplaatsen moet plaatsvinden. De energie en kwalificaties die daarvoor nodig zijn, worden verkregen door opvoeding tot zelfverzekerdheid en zelfstandigheid.

De organisatie van de kapitalistische economie vormt de basis voor de organisatie van de proletarische bevrijding. De bedrijfsorganisatie, de Arbeiders-Bond1 en het radenstelsel zijn de opeenvolgende fasen van de opgang naar het aan de macht komen van het proletariaat.

De proletarische revolutie is totaal anders dan de burgerlijke revolutie in haar omvang, inhoud, tendensen, gevechtstactiek en doelgerichtheid. Ze is de sociale revolutie en ze eindigt met de vestiging van een socialisme zonder leiders, zonder staat en zonder overheersing.

Op naar de proletarische revolutie!

(…)

De proletarische revolutie2

De novemberrevolutie van 1918 was de laatste uitloper van de burgerlijke revolutie van 1848. Ze voltooide de liberale democratische republiek, die toen bij gebrek aan vastberadenheid en kracht niet geschapen kon worden door Duitse burgers van die tijd in de strijd tegen het feodalisme en de macht van de vorsten. Om het schip van de bourgeoisie dat door de wereldoorlog ernstig in gevaar was gebracht, van de ondergang te redden, gooide ze de laatste feodaal-monarchistisch-absolutistische ballast, die ze al 70 jaar met zich meedroeg en die nu haar ondergang dreigde te worden, in korte tijd overboord. Dit schiep een basis voor begrip en onderhandelingen met de West-Europese kapitaalmachten, vooral met de democratische republikeinse zegevierende staten Frankrijk en Amerika. Door zich een burgerlijk vrije grondwet te geven en de regering in eigen hand te nemen, heeft de bourgeoisie zich opnieuw opgericht.

Hun redding, natuurlijk in de zin van het idee van de kapitalistische natiestaat, kwam echter te laat. De Duitse bourgeoisie moest, terwijl ze de laatste steen toevoegde aan de voltooiing van haar burgerlijke kapitalistische staat en uiteindelijk het werk van de republikeinse democratie bekroonde, haar economische onafhankelijkheid op dat moment opgeven en zich van de zegevierende staten laten dicteren welke de graad was van haar politieke vrijheden. Dan is er nog de tragedie van gemiste kansen en laattijdige moed.

Het Duitse proletariaat heeft tot op zekere hoogte geprobeerd de revolutie voort te zetten. Van Liebknecht tot Hölz, in talrijke, machtige, zelfs heldhaftige opstanden, deed het er alles aan om de burgerlijke revolutie om te zetten in een sociale revolutie, om de bourgeoisieomver te werpen en de weg naar het socialisme in te slaan.

Tienduizenden zijn gedood, andere tienduizenden zijn begraven in gevangenissen en tuchthuizen, en nog eens tienduizenden zijn het land ontvlucht, vervolgd, opgejaagd, verdwenen en omgekomen. Maar alle gevechten, alle heldendaden, alle offers hebben niet geleid tot het doel. De revolutie is voor het Duitse proletariaat tot nader order verloren gegaan.

Ze ging verloren omdat het grootste deel van het Duitse proletariaat, geleid door zijn partij- en vakbondsfunctionarissen, in plaats van de vechtende klassebroeders te omarmen, hen in de rug viel. Verraden door hun kleinburgerlijke ideologie, gevangenen van hun niet-revolutionaire organisaties, verblind door hun opportunistische tactieken, verraden door hun demagogisch-zelfzuchtige leiderschap, moesten ze zelf verraders, saboteurs en vijanden worden in de bevrijding en opstand van hun klasse. Dat de bourgeoisie zich met hand en tand verzette, haar toevlucht nam tot sluwheid en geweld om haar bestaan te redden, spreekt voor zich, want het was een noodzaak van behoud in de strijd van klasse tot klasse. Maar dat het Duitse proletariaat, dat in het bezit was van de sterkste organisaties, dat zich op de borst klopte dat het 't meest geschoolde ter wereld was, en dat zojuist vier jaar lang aan eigen lijf ervaren had wat de verschrikkelijke consequenties zijn van burgerlijk-kapitalistische politiek, wadend door een zee van bloed en tranen, dat dit proletariaat, in het uur van de revolutie, niets anders wist te doen en niets beter kon doen dan opnieuw de bourgeoisie van zijn land te redden, deze ongekend wrede, brutale, onverbeterlijke, cultuurloze bourgeoisie — dat is een uiterst beschamende en trieste constatering. Het is een vaststelling die, ondanks dat ze niets goedpraat, toch begrijpelijk maakt dat duizenden mensen, ontmoedigd en wanhopig, de handdoek in de ring gooien: deze natie van knechten is niet meer te redden!

En toch verdient dit volk onze toorn niet, maar onze hulp in zijn lafheid en in zijn onwetendheid. Het is zelf het slachtoffer van een eeuwenlange slavernij die alles heeft gebroken en verpletterd wat er onafhankelijk en vrij is, en van een enorme misleiding die de leiders er steeds weer op hebben losgelaten. Het moet nu door een vreselijke school van honger en slavernij heen, en wanneer, onder de druk van de vermenigvuldigde uitbuitende macht van het wereldkapitaal, die de laatste druppel bloed uit zijn aderen drukt, alle slechte instincten en ondeugden van het ontaarde schepsel uitbreken, zal de school van de plagen eindelijk een school van inzicht en de politieke heropleving worden.

Het Duitse proletariaat moet zich eindelijk realiseren dat de proletarische revolutie geen partij- en vakbondskwestie is, maar een werk van de hele proletarische klasse.

Het Duitse proletariaat moet eindelijk beginnen op de plaatsen waar het bezig is met zijn slavenarbeid deze proletarische klasse voor de taak van de revolutie te verzamelen, te scholen, te organiseren, in beweging te zetten en de strijd te beginnen.

Het Duitse proletariaat moet eindelijk besluiten om het halster van zijn leiders af te werpen en het werk van zijn bevrijding in eigen handen te nemen om het met eigen krachten en middelen te voltooien, op eigen initiatief en onder eigen leiding.

De wereldgeschiedenis geeft ons tijd totdat al onze kracht is gerijpt voor de taak die ze ons oplegt.

Parlementen worden steeds meer lege poppenkasten; de partijen vallen uiteen, maken elkaar kapot en verliezen hun politiek krediet: de vakbonden worden geruïneerd. De ineenstorting van dit organisatorische en politieke systeem is niet te stoppen.

De proletarische en kleinburgerlijke lagen erkennen steeds vaker dat ze het slachtoffer zijn geworden van een overdaad aan partijpolitieke en vakbondszwendel, en omdat ze van binnen overtuigd zijn in de juistheid en de toekomst van de socialistische gedachte, wenden ze zich tot bewegingen die hen doen geloven in bevrijding zonder strijd, in een paradijs zonder eigen inspanningen: Rudolf Steiner's antroposofie, Silvio Gesell's Free Money Movement, de werkgemeenschappen die het idee van raden verbaal toejuichen, Adolf Hitlers nationaal-socialisme, de Bund der Rebellen die elke organisatie ontkent, of de serieuze bijbelstudenten die hopen op een volgende wereld.3 Ze gaan allemaal op een dwaalspoor: hun pad is vol teleurstelling, aan het einde ervan is het Niets.

Het enige wat ons blijft, is de klassenstrijd, op de breedst mogelijke economische basis, die alle proletarische energieën op gang brengt en verheft tot sociale revolutie, en die leidt tot het socialistische doel. De klassenstrijd waarbij het proletariaat tegelijk leider en massa is, generale staf en leger, brein en arm, idee en beweging, impuls en vervulling.

Het pad van deze klassenstrijd is een stuk wereldgeschiedenis. Het verbindt het feodale verleden over het kapitalistische heden met de socialistische toekomst. Het laat alle uitbuiting en overheersing achter zich. Het leidt naar de vrijheid.

Kameraden, volg ons op deze weg!

We hebben een wereld te winnen!


Bron: Otto Rühle, Von der bürgerlichen zur proletarischen Revolution (1924).

1 Vertaling van Arbeiter Union (AAU). Zie ook Herman Gorter, De Algemene Arbeiders Bond (1921).

2 Hoofdstuk 9 (slothoofdstuk).

3 Van genoemde tegenwoordig minder bekende bewegingen is alleen informatie gevonden over de Freiwirtschaft-beweging. Deze is gebaseerd op eeneconomisch idee van Silvio Gesell in 1916. Hij noemde het Natürliche Wirtschaftsordnung (natuurlijke economische orde). In 1932 gebruikte een groep Zwitserse zakenlieden zijn ideeën om de WIR-bank op te richten.

3